|
Voeding en
groeipijn (Enostosis)
Enostosis/panosteïtis is de Latijnse naam voor groeipijnen. De Witte Herder
is hier vrij gevoelig voor, net zoals een aantal andere rassen. Voornamelijk
grotere rassen hebben een pre-dispositie voor het ontwikkelen van
groeipijnen. De naam groeipijnen zegt al dat het hier om jonge honden in de
groei gaat, tussen de vijf en twaalf maanden. Over het algemeen zijn het de
reuen die er last van krijgen, hoewel dat niet altijd het geval is. Vaak is
men geneigd te roepen dat de jonge hond groeipijnen heeft zodra hij wat mank
gaat lopen. Een diagnose stellen zonder verder te kijken gebeurt vaak door
trainers, fokkers en andere zogenaamde deskundigen. Er valt geen diagnose
te stellen van enostosis zonder onderzoek en het blijft een heikel punt om
klakkeloos aan te nemen dat het om groeipijnen gaat. Onderzoek is dus altijd
noodzakelijk.
Voeding
is één van de grootste boosdoeners bij het ontwikkelen van groeipijnen. De
meeste pupvoeders zijn te ‘rijk’ aan een aantal voedingsstoffen, waardoor de
pup en te snelle kalkafzetting op het bot krijgt. Het valt aan te raden – en
de meeste moderne dierenartsen zijn het hier over eens – geen pupbrokken te
gebruiken bij rassen die gepredisponeerd zijn voor enostosis. Enkele
voerfabrikanten zijn overgegaan op speciale pupbrokken voor grotere rassen,
de ‘Large Breed’ brokken. Dit lijkt een goede vooruitgang te zijn en de
meeste jonge honden groeien goed en zonder pijnen of problemen op dit
speciaal samengestelde voer. Extra calcium of grotere hoeveelheden rauw
vlees zijn sterk af te raden bij de jonge, opgroeiende hond.
Wat zijn groeipijnen?
Door een
ontsteking in het merg van het bot ontstaat er druk op het beenvlies aan de
buitenkant. Door deze druk krijgt de hond geweldige pijnen in de botten en
gaat kreupel lopen. Bij iedere stap die ze zetten krijgen ze als het ware
een klap tegen het bot. Deze pijnen kunnen wekenlang aanhouden en van de ene
poot in de andere overgaan. De hond zal de ene keer links en de andere keer
rechts mank lopen. Groeipijnen zijn frustrerend, zowel voor de hond als voor
de baas. Trainingen moeten worden gestopt en een goede wandeling is bijna
niet op te brengen.
Diagnose:
Een
eerste maar niet zekere diagnose kan worden gesteld door druk uit te oefenen
op de aangetaste plekken en zo de pijn op te wekken. Maar om zeker te zijn
van de ziekte zullen röntgenfoto’s gemaakt moeten worden. Op de foto is een
soort waas te zien die als een sluier over het bot heen hangt. Foto’s zijn
absoluut nodig om eventuele andere oorzaken van mank lopen van de jonge hond
uit te sluiten.
De
behandeling:
Als
eerste moet de hond op dieet en zijn voedingsgewoonten drastisch worden
bijgesteld. Te hoge concentraties calcium moeten vermeden worden. Als de
jonge hond ook nog eens aan de stevige kant is, valt het aan te bevelen de
hond op Large Breed voer te zetten en te laten rantsoeneren of over te gaan
op verse voeding (KVV). Naast de
reguliere behandeling met pijnstillers – die zeker nodig zijn in het begin –
is er ook een mogelijkheid om de ziekte met homeopathische middelen onder
controle te krijgen, oa met het middel Mercurius Vivus zien we de een goede
genezing van enostosis. Let er wel op dat homeopathische middelen altijd
voorgeschreven moeten worden door een dierenarts die hierin thuis is. Het
voordeel hiervan is dat de hond niet wordt volgestopt met chemische
medicijnen. Ook wordt op deze manier de klacht aangepakt en is het geen
symptoombestrijding zoals pijnstillers dat wel zijn. Bij een homeopathische
behandeling treedt er weinig tot geen terugval op en zal de ziekte vrij snel
kunnen worden bestreden. Bij een behandeling die slechts uit pijnstillers
bestaat, kan de hond regelmatig een terugval krijgen, zelfs tot op een
leeftijd van 2,5 jaar. Het fabeltje dat het vanzelf over gaat mag men snel
vergeten. Op een gegeven moment zal de hond inderdaad niet meer mank lopen,
maar dan ben je wel twee jaar verder en zal de schade - geestelijk en
lichamelijk – die de hond daardoor heeft opgelopen zijn sporen hebben
nagelaten.
Voeding en overgewicht
Voeding is een belangrijk
onderdeel van milieuomstandigheden. Zoals altijd geldt ook voor de hond dat
overgewicht ronduit slecht is. Het is verstandig de jonge hond schraal op te
voeden, maar natuurlijk niet zo schraal dat hij daardoor niet meer de
voldoende voedingsstoffen binnen krijgt. Om te weten of de hond al dan niet
te dik is moeten we voelen. De ribben moeten vlak onder de huid liggen
zonder vetlaagje erover heen. Als de hond in gebogen houding staat, moeten
van opzij gezien de ribben te zien zijn. De wervelkolom en het heupbot mogen
niet zichtbaar zijn (uitsteken); als dat het geval is, is de hond te mager.
Op de verpakkingen van de diverse hondenvoeders staat altijd de hoeveelheid
voeding per hond/ras aangegeven. Iedere hond is verschillend; de één heeft
snel een neiging tot dik worden en de ander is niet vet te krijgen. Ook is
er veel verschil van beweging tussen de ene hond en de andere. Om deze
redenen is het niet verstandig de voedingsvoorschriften van een verpakking
klakkeloos op te volgen. De beste manier van voeren is toch op het oog. Kijk
goed naar de hond en voer hem naarmate hij te dik of te dun is. Ook voor
oudere honden blijft overgewicht een slechte zaak. Rugkwalen, botproblemen
en zelfs kortademigheid en/of hartproblemen zijn daar vaak het gevolg van.
Het is noodzakelijk de voeding van de oudere hond bij te stellen. Vaak
krijgt de hond minder beweging en heeft dus minder voeding nodig.
Seniorenvoer is een uitstekende oplossing om de hond een volle maag te
geven; het is minder energierijk, waardoor de hond een goed gewicht blijft
houden. Ook de gecastreerde reu of gesteriliseerde teef kan overgewicht
ontwikkelen. Dit heeft enerzijds te maken met de hormonale verandering die
de hond ondergaat, maar dat is niet noodzakelijkerwijs de oorzaak. Ook een
sterk veranderde stofwisseling kan de boosdoener zijn. Soms ligt het aan de
mindere beweging die de hond krijgt. Vooral als het een wat oudere hond
betreft, die stil komt te liggen van training of een fokhond met pensioen.
Ook hier is het belangrijk de voeding bij te stellen en eventueel over te
schakelen naar een minder energierijk voer. Wilt u een gezonde hond tot op
hoge leeftijd, dan is het aan te raden de hond slank en bespierd te houden.
Veel kwalen en zelfs ziekten kunnen worden voorkomen door een gezonde
voeding en voldoende correcte beweging.
Voeding,
vachtkleur en snownose

Een heikel punt, dat iedere
keer terug komt is de vraag of voeding invloed heeft op de vachtkleur en de
kleur van de neus van de Witte Herder. Eén ding moet men hier in gedachten
houden: als een Witte Herder een crème vacht of wildkleur heeft meegekregen
in de genen dan zal er geen voeding tegen helpen om dit te doen verdwijnen.
Dat geldt ook voor de kleur van de neus of de snownose. Toch kan voeding wel
degelijk invloed hebben op vachtverkleuring of het verminderen - let wel
‘verminderen’ – van de mate waarin de neus oplicht. Verschillende
ingrediënten in het voer kunnen daarvan de oorzaak zijn. Het betreft over
het algemeen het kopergehalte, caroteen of bietenpulp, die de vacht van een
lichte gloed tot bruin over de rug, staart en oren kan verkleuren. Enkele
voedingsconcerns hebben de voeding al bijgesteld om dit te voorkomen.
Het overbekende verschijnsel
snownose is een andere zaak. Er zijn veel theorieën en de meningen over dit
verschijnsel lopen uiteen. Er is tot op heden geen wetenschappelijk
onderzoek naar gedaan en zeker is men nergens van. Ik wil dan ook geen
uitspraken doen en me slechts beperken tot een uitleg van het verschijnsel
op zich. Een snownose houdt in dat de neus oplicht tot bruin, leverkleurig
of roze. Meestal start het oplichten in het najaar en bereikt het toppunt in
hartje winter. Naarmate de buitentemperatuur hoger wordt en er meer zonlicht
komt, kleurt de neus dan weer donkerder. Dit oplichten komt dus vooral tot
uiting in de wintermaanden. Een hond die in koude streken leeft en daarbij
ook nog buiten in de kennel, zal sneller last krijgen van een snownose dan
honden die in warmere streken wonen en bij de kachel in huis liggen.
Toch ligt ook aan de snownose een genetische aanleg ten grondslag. Een hond
met een diep zwart pigment zal niet gauw een snownose ontwikkelen.
Waarschijnlijk nooit, hoewel de oudere hond een lichte afname van pigment
kan krijgen en vaak ook de zuiver witte kleur van de vacht verliest, om wat
meer crème te worden. De aanleg voor een snownose is vaak al in het nest te
zien, mits men weet waarop te letten. Het snel opkleuren of langzaam
ontwikkelen van het pigment bij de pups heeft daar niets mee te maken. Bij
nauwkeurig onderzoek van de kleur van het pigment kan men bij een bepaalde
lichtval het blauwzwarte van het bruinzwarte van het neusje van de pup
onderscheiden. Ook pups met een gitzwart neusje, maar met een minuscuul
lichter streepje langs de neusvleugels of met een neusholte die wat lichter
(roze) is, zullen naar alle waarschijnlijkheid een snownose ontwikkelen.
Daarnaast zijn er natuurlijk de minder gepigmenteerde pups, maar daar kun je
nauwelijks meer spreken van een snownose omdat deze honden altijd, ongeacht
het jaargetijde, een lichte neus hebben. Dit is genetisch vastgelegd en het
heeft niet veel met milieu of voeding te maken. Het zal ook niet echt
verbeteren met het toedienen van voedingssupplementen. Voor de echte
snownose zijn er inderdaad verschillende supplementen verkrijgbaar die de
lichtergekleurde neus weer zwart - of donkerder - zullen kleuren. Allereerst
zijn daar de vlierbesdragees. Na het toedienen hiervan kleurt de neus snel
donkerder, doch ook hier heb ik verschillende keren waargenomen dat een
langer gebruik van deze dragees als effect kan hebben dat er grote platen
van totaal pigmentverlies optreedt op de lipranden, oogranden en neus. Dit
gaat enkele weken nadat het gebruik van de vlierbesdragees is gestopt weer
over. Daarnaast is er het gebruik van zeewier mogelijk, maar dit kan de
vacht verkleuren tot een diepe wildkleur. Spinazie is een andere optie en
verkleurt de vacht niet, maar is minder doeltreffend. In Amerika heeft men
verschillende formules ontwikkeld om de snownose tegen te gaan, bestaande
uit vitaminepreparaten en andere voedingssupplementen. Men schijnt
daar goede resultaten mee te bereiken. Natuurlijk is het belangrijk
voor een showhond om een optimaal pigment te hebben, maar ik vraag me af of
al deze supplementen nodig zijn voor een huis- of werkhond. Tot nu toe is
niet bewezen dat de hond geen andere lichamelijke schade kan ondervinden op
lang termijn door het toevoegen van een hoge dosis vitaminen en/of
supplementen.
PAGE UP
 |
This
website was first launched in 1998 - If you have
questions about this site or corrections, please
mail the webmaster
©
Pride webdesign 2011 -
W.R. Tilstra -
Of Kimberly's Pride
-
dogpride@chello.nl |
|